Hoofdstuk 11 - Disciplinaire maatregelen, schorsing van rechtswege en non-activiteit

Artikel 11.1 Disciplinaire maatregelen 

  1. De werkgever kan de werknemer die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, een disciplinaire maatregel opleggen.
  2. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, wat een goed werknemer in gelijke omstandigheden behoort te doen of na te laten.
  3. De disciplinaire maatregelen als bedoeld in lid 1 die kunnen worden opgelegd zijn:
    a. schriftelijke berisping; 
    b. vermindering van de aanspraak op vakantie; 

    c. onthouding hogere salarisschaal of -trede;
    d. terugplaatsing in een lagere salarisschaal of –trede;
    e. schorsing; 
    f. gehele of gedeeltelijke inhouding van de bezoldiging;
    g. ontslag zonder dat een opzegtermijn in acht behoeft te worden genomen.
  4. De werkgever is verplicht om de werknemer in de gelegenheid te stellen, binnen tien werkdagen na dagtekening van de brief daarover, zijn zienswijze kenbaar te maken op het voornemen tot het opleggen van een disciplinaire maatregel alvorens tot tenuitvoerlegging over te gaan.
  5. Bij het opleggen van een disciplinaire maatregel kan worden bepaald dat deze niet ten uitvoering zal worden gelegd indien de werknemer zich binnen een vastgestelde termijn van maximaal twee jaar niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor bestraffing plaatsvindt noch aan enig ander plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.
  6. Een publieke werkgever kan pas een disciplinaire maatregel opleggen wegens overtreding van artikel 125a, eerste lid, van de Ambtenarenwet nadat daarover advies is ingewonnen bij de Adviescommissie Awb. De werkgever geeft bij haar besluit tot oplegging van de disciplinaire maatregel te kennen of dit in overeenstemming is met het ingewonnen advies.

Artikel 11.2 Schorsing van rechtswege

De werknemer is van rechtswege geschorst, wanneer hij op grond van een wettelijke maatregel of op grond van de Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen van zijn vrijheid is beroofd, tenzij de vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel die getroffen is in het belang van de volksgezondheid.

Artikel 11.3 Non-activiteit

  1. De werkgever kan de werknemer op non-actief stellen:
    a. als een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen hem is ingesteld;
    b. wanneer hem door de werkgever het voornemen tot een disciplinaire maatregel tot onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven dan wel hem die maatregel is opgelegd;
    c. wanneer, naar het oordeel van de werkgever, het belang van de werkgever dit vordert.
  2. Het besluit waarbij de werknemer op non-actief wordt gesteld, vermeldt de datum van ingang daarvan en de omstandigheden die daartoe aanleiding hebben gegeven.

Artikel 11.4 Bezoldiging tijdens schorsing van rechtswege of non-activiteit

  1. Tijdens de schorsing of de non-activiteit kan de bezoldiging voor een derde gedeelte worden ingehouden. Na verloop van zes weken kan een verdere inhouding ook van het volle bedrag van de bezoldiging plaatsvinden. Geen inhouding vindt plaats als de werknemer op non-actief is gesteld omdat:
    a. het belang van de werkgever dit naar de mening van de werkgever vordert;
    b. de werknemer plaatsing in een psychiatrische inrichting of daarmede gelijk te stellen inrichting ondergaat;
    c. de werknemer politiebewaring of inverzekeringstelling als bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering ondergaat, mits niet gevolgd door inbewaringstelling.
  2. De ingehouden bezoldiging kan alsnog geheel of gedeeltelijk aan de werknemer worden uitbetaald, indien de schorsing of non-activiteit niet wordt gevolgd door een onvoorwaardelijk ontslag bij wijze van disciplinaire maatregel of ontslag op grond van onherroepelijke veroordeling tot vrijheidsstraf vanwege misdrijf. Op de uit te keren bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten die de werknemer sedert de schorsing of gedurende de non activiteit heeft genoten uit arbeid die hij heeft kunnen verrichten, tenzij dit, naar het oor deel van de werkgever, onredelijk of onbillijk is.
  3. Het niet ingehouden gedeelte van de bezoldiging van de werknemer kan aan anderen worden uitbetaald.
  4. Als de werknemer is geschorst of op non-actief is gesteld tijdens ziekte, wordt onder bezoldiging verstaan hetgeen daaronder voor de toepassing van de ZAOI wordt verstaan.

Artikel 11.5 Nadere regels

De werkgever kan nadere regels stellen voor de uitvoering van de artikelen 11.1 t/m 11.4.