Hoofdstuk 3 - Salaris, toelagen en andere vergoedingen

Artikel 3.1 Algemene bepalingen

  1. De werkgever betaalt het salaris, de toelagen en de vergoedingen voor extra diensten maandelijks.
  2. Wanneer het salaris, een eventuele toelage als bedoeld in de artikel 3.8, een vakantieuitkering of een eindejaarsuitkering moet worden berekend over een gedeelte van een kalendermaand, wordt het bedrag per dag vastgesteld door het maandbedrag te delen door het aantal dagen van de desbetreffende kalendermaand. 
  3. Van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken ingeval daartoe naar het oordeel van de werkgever op grond van bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat. 
  4. De werknemer ontvangt over de tijd, gedurende welke hij in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn functie te vervullen, geen bezoldiging.
  5. De werkgever kan de werknemer voor maximaal 10 dagen bij wijze van disciplinaire maatregel schorsen zonder behoud van salaris indien de werknemer zich naar het oordeel van de werkgever herhaaldelijk of ernstig verwijtbaar gedraagt.
  6. De werknemer heeft jaarlijks in mei recht op een vakantie-uitkering van 8% van zijn bezoldiging. Partijen zijn overeengekomen dat de opbouw bij een volledige werkweek minimaal €132,57 per maand bedraagt. Bij einde van het dienstverband wordt de tot dat moment opgebouwde vakantie-uitkering bij de laatste salarisuitbetaling uitgekeerd.
  7. De werknemer heeft jaarlijks in december recht op een eindejaarsuitkering van 8,33% van de genoten bezoldiging. Bij een dienstverband gedurende een deel van het jaar wordt de eindejaarsuitkering naar rato aangepast (maandelijkse opbouw). Bij einde van het dienstverband wordt de tot dat moment opgebouwde indejaarsuitkering bij de laatste salarisuitbetaling uitgekeerd.

Artikel 3.2 Salarisschaal en functiewaardering

  1. De salarisschaal die voor de werknemer geldt, wordt door de werkgever bepaald op basis van de aard en het niveau van zijn functie. 
  2. Aard en niveau van de functie worden, in context van de functies binnen de organisatie, door de werkgever bepaald binnen de salaristabellen in bijlage 1. Dit geschiedt aan de hand van de FNM voor de onderzoekinstellingen. 
  3. Indien de werknemer bij wijze van waarneming tijdelijk een andere functie uitoefent, blijft de voordien voor hem geldende salarisschaal van toepassing, onverminderd het bepaalde in artikel 3.8 lid 2.

Artikel 3.3 Bedenkingen/bezwaren functiewaardering

  1. De werknemer die bedenkingen heeft tegen het voorgenomen besluit omtrent de waardering van zijn functie, kan de werkgever verzoeken deze waardering in heroverweging te nemen.
  2. Bezwaren tegen het besluit van de waardering van de functie worden door de (klacht-) adviescommissie/commissie personele aangelegenheden van de werkgever behandeld.

Artikel 3.4 Inschaling

  1. Bij het aangaan van een dienstverband wordt een salaris overeengekomen in de schaal die behoort bij de functie van de werknemer.
  2. In afwijking van het vorige lid kan een salaris in de naast lagere salarisschaal (aanloopschaal) worden overeengekomen indien de werknemer de functie nog niet volledig vervult.
  3. De aanloopschaal is de naast lagere salarisschaal en geldt slechts voor een beperkte periode waarbinnen de werknemer wordt geacht te kunnen voldoen aan de gestelde functie-eisen. De duur van deze periode bedraagt maximaal twee jaar.
  4. Zodra op basis van een beoordeling blijkt dat de werknemer aan alle functie-eisen voldoet, wordt hij ingeschaald in de bij de functie behorende salarisschaal.
  5. Indien de werknemer 6 maanden voor het einde van de maximale termijn van twee jaar nog niet  aan de functie-eisen voldoet, dan start de werkgever het overleg met de werknemer over een ander loopbaanperspectief, binnen dan wel buiten de instelling.
  6. Bij het aangaan van het dienstverband met een werknemer die valt onder de doelgroep 'mensen met een arbeidsbeperking' als bedoeld in de Participatiewet wordt deze werknemer ingeschaald in salarisschaal 1 salaristrede 0 dan wel in de salarisschaal en salaristrede behorende bij de functie die deze werknemer gaat uitoefenen.

Artikel 3.5 Salarisverhoging

  1. Het salaris van de werknemer wordt verhoogd tot het daaropvolgende bedrag in de salarisschaal indien naar het oordeel van de werkgever de functie naar behoren wordt vervuld. 
  2. Het salaris van de werknemer kan worden verhoogd tot een in de salarisschaal hoger vermeld bedrag, indien hij naar het oordeel van de werkgever zijn functie zeer goed of uitstekend vervult.
  3. Vervult de werknemer zijn functie naar het oordeel van de werkgever niet naar behoren, dan blijft salarisverhoging achterwege. 
  4. De in het eerste en tweede lid bedoelde salarisverhoging wordt toegekend wanneer de werknemer het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt; voor de eerste keer geldt de verhoging een jaar na zijn indiensttreding en daarna telkens na één jaar. 
  5. Het tijdstip waarop ingevolge het vierde lid een salarisverhoging wordt toegekend, kan worden vervroegd indien daartoe naar het oordeel van de werkgever aanleiding bestaat.

Artikel 3.6 Afwijkingen van artikel 3.1 tot en met artikel 3.5

De werkgever kan een regeling treffen waar in bijzondere gevallen van de artikelen 3.1 tot en met 3.5 afgeweken kan worden ten gunste van de werknemer.

Artikel 3.7 (Jubileum)gratificatie

  1. De werknemer heeft recht op een gratificatie bij een dienstjubileum van 25 en 40 jaar. Deze gratificatie bedraagt minimaal 50% van het salaris inclusief vakantie-uitkering. De werkgever stelt een regeling jubileumgratificaties vast. 
  2. De werkgever kan regels stellen voor het toekennen van een gratificatie en/of extra verlof wegens bijzondere prestaties dan wel op andere gronden.

Artikel 3.8 Toelagen

De werkgever kan de werknemer een of meerdere toelagen toekennen. Hierna staat aangegeven onder welke voorwaarden een toelage wordt toegekend.

  1. Functioneringstoelage:
    a. Bij uitstekende vervulling van de functie, naar oordeel van de werkgever.
    b. Uitsluitend wanneer het maximum van de voor de werknemer geldende salarisschaal is bereikt.
    c. Ten hoogste 15% van het voor de werknemer geldende maximumsalaris. 
    d. Voor de duur van een jaar.
    e. Bij bijzondere omstandigheden, langer dan een jaar.
  2. Waarnemingstoelage: 
    a. Bij waarneming, langer dan een maand, van een functie met een hogere salarisschaal.
    b. Voor de duur van de waarneming.
    c. Minimaal twee en maximaal vier periodieken.
  3. Toelage onregelmatige diensten:
    a. Voor werknemers ingeschaald tot en met schaal 10.
    b. In opdracht moet de werknemer regelmatig arbeid verrichten op niet-reguliere werktijden.
    c. Anders dan bij wijze van overwerk. 

  4. Toelage bereikbaarheids- en beschikbaarheidsdiensten: 
    a. Voor werknemers ingeschaald tot en met schaal 10.
    b. Op grond van een schriftelijke opdracht moet de werknemer regelmatig bereikbaar en beschikbaar zijn om buiten de geldende werktijden bij oproep arbeid te verrichten.
    c. Anders dan bij wijze van overwerk.

  5. Toelage werving en behoud:
    De werkgever kan aan de werknemer een toelage toekennen om redenen van werving en behoud.
  6. Toelage op andere gronden:
    In bijzondere gevallen kan de werkgever aan de werknemer of aan een groep werknemers een toelage toekennen op andere gronden dan die vermeld in dit artikel.
  7. De werkgever kan een regeling treffen die dit artikel aanvult of daarvan ten gunste van de werknemers afwijkt.

Artikel 3.9 Beëindigen toelagen en afbouw toelage onregelmatige diensten

  1. De werkgever kan een toegekende toelage geheel of gedeeltelijk beëindigen, indien de grond waarop de toelage werd toegekend niet meer aanwezig is.
  2. De toelage onregelmatige diensten wordt slechts afgebouwd:
    a) indien een werknemer deze ten minste twee jaar zonder onderbreking van langer dan twee maanden heeft ontvangen en
    b) de blijvende verlaging ten minste 3% is van de som van zijn salaris en functioneringstoelage en/of een toelage op andere gronden.
    Dit lid is van toepassing op vaste en aflopende toelagen voor onregelmatige dienst, die zijn of worden toegekend na 28 februari 2001.

Artikel 3.10 Overwerkvergoeding

  1. De werkgever kent aan de werknemer voor wie een salaris geldt tot en met  maximaal schaal 10 en die in opdracht van de werkgever overwerk verricht een vergoeding  toe. Dit artikel is niet van toepassing op de werknemer als bedoeld in hoofdstuk 9.
  2. Als overwerk wordt aangemerkt het aantal boven de volledige werkweek of het aantal uren  verricht op zaterdag, zondag en feestdagen of het aantal uren verricht tussen  18.00 en 07.00 uur.
  3. De vergoeding voor overwerk bestaat uit:
    a. verlof, gelijk aan het aantal uren overschrijding van de volledige werkweek en
    b. een percentage van het voor de werknemer salaris per uur inclusief vakantie en eindejaarsuitkering voor elk uur van die overschrijding, conform onderstaande tabel.

  4. Indien naar het oordeel van de werkgever de bedrijfsverzet tegen het toe kennen van verlof, wordt in plaats daarvan voor ieder overwerkt uur het voor de  werknemer betaalde salaris per uur inclusief vakantie- en eindejaarsuitkering betaald.
  5. Aan werknemers voor wie verschillende salarisschalen gelden die volgens een opdracht  als bedoeld in het eerste lid passende werkzaamheden uitvoeren, kan de werkgever, in  afwijking van het eerste tot en met het vierde lid, naar billijkheid een voor alle betrokken  gelijke vergoeding toekennen.
  6. Voor bijzondere omstandigheden kan de werkgever een regeling treffen die dit artikel  aanvult van daarvan tien gunste van de werknemer afwijkt.

Artikel 3.11 Uitkering in geval van overlijden en vermissing

  1. De bezoldiging wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van het overlijden.
  2. Zo spoedig mogelijk na het overlijden wordt aan de relatiepartner een bedrag uitgekeerd, gelijk aan drie maanden bezoldiging die de werknemer op het moment van overlijden genoot. Indien de overledene geen relatiepartner nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige eigen wettige, gewettigde of wettelijk erkende natuurlijke, adoptie- dan wel pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan ontvangen ouders, broers of zusters of meerderjarige kinderen de uitkering, indien de overledene hun kostwinner was.
  3. De eerste twee leden zijn van overeenkomstige toepassing in geval van vermissing van de werknemer, tenzij gegronde vermoedens bestaan dat de werknemer ongeoorloofd afwezig is. Het moment van vermissing wordt vastgesteld door de werkgever. Tot dit moment van vaststelling wordt de bezoldiging doorbetaald. In geval van ongeoorloofde afwezigheid vindt terugvordering plaats van hetgeen onverschuldigd betaald is.

Artikel 3.12 Regels andere vergoedingen en tegemoetkomingen

De werkgever stelt regels vast met betrekking tot de vergoeding voor of tegemoetkoming in:
a. reis- en verblijfkosten ter zake van in opdracht van de werkgever te maken dienstreizen;
b. de noodzakelijk te maken reiskosten woon-/werkverkeer in Nederland;
c. kosten in verband met tijd- en plaatsonafhankelijk werken, waaronder kosten in verband met
    het gebruik van telecommunicatieapparatuur;
d. kosten van een maaltijd in geval van in opdracht van de werkgever verricht overwerk;
e. binnenlandse verhuiskosten;
f. kosten in verband met verhuizingen vanuit en naar het buitenland, waaronder in ieder geval de
   noodzakelijk te maken reis- en transportkosten;
g. kosten in verband met het drukken van het proefschrift;
h. naar het oordeel van de werkgever andere noodzakelijk te maken kosten.