Hoofdstuk 4 - Arbeidsduur en feestdagen

Artikel 4.1 Arbeidsduur, werkweek en werktijden

  1. De volledige arbeidsduur is 38 uur per week.  Het feitelijk per week te werken aantal uren is maximaal 40, onder gelijktijdige toekenning van 338 vakantie-uren per jaar.
  2. De feitelijke werkweek van een werknemer kan jaarlijks variëren door de inzet van vakantie. De feitelijke werkweek wordt vastgesteld door de werkgever.
  3. De werkgever kan een werktijdenregeling vaststellen.
  4. Indien een werkgever een werktijdenregeling heeft vastgesteld dan kan daarvan slechts worden afgeweken, indien het belang van de werkgever dit onvermijdelijk maakt of in geval van buitengewone omstandigheden, mits ervoor wordt gezorgd, dat de werknemer in of over het desbetreffende tijdvak van zeven dagen een ononderbroken rusttijd van ten minste 36 uren geniet.

Artikel 4.2 (Feest)dagen waarop niet gewerkt hoeft te worden

  1. Er wordt niet gewerkt op zondagen, 1 januari, tweede paasdag, 5 mei, Hemelvaartsdag, tweede pinksterdag, eerste en tweede kerstdag, Koningsdag en indien daarvan sprake is op een door de werkgever aangewezen regionaal of plaatselijk erkende feest- of gedenkdag.
  2. Werknemers hebben het recht om, tegen inlevering van vakantie-uren, niet te werken op andere godsdienstige feest- en gedenkdagen.
  3. Van het eerste lid kan slechts worden afgeweken in geval van een zwaarwegend bedrijfsbelang en met inachtneming van het volgende:
    a. Er wordt niet gewerkt op ten minste dertien zondagen per periode van zes maanden.
    b. Zoveel als mogelijk wordt rekening gehouden met dagen die voor de werknemer van religieuze betekenis zijn.
    c. De werktijdenregeling wordt zodanig vastgesteld, dat de werknemer bij voorkeur in, doch in ieder geval over elk tijdvak van zeven dagen vrij is gedurende ten minste twee, bij voorkeur aaneengesloten, dagen waarvan ten hoogste twee halve dagen kunnen worden afgesplitst.
  4. De werkgever kan jaarlijks, met instemming van de (C)OR, maximaal vijf collectieve bedrijfssluitingsdagen vaststellen. Collectieve bedrijfssluitingsdagen worden ten laste gebracht van het jaarlijks in de vorm van vakantie op te nemen deel van het vakantieverlof, zoals bedoeld in artikel 5.3 lid 2.

Artikel 4.3 40/40-regeling

  1. De werkgever kan een werknemer of een groep werknemers aanwijzen voor wie een arbeidsduur van 40 uur geldt.
  2. Voor de toepassing van dit artikel kan worden aangewezen een werknemer of een groep werknemers die werkzaamheden verrichten waarvoor het volgende geldt:
    - extern gefinancierd of
    - (veelal projectmatige) werkzaamheden en waaraan tijdslijnen/–limieten zijn
       verbonden of

    - de werknemer is binnen de afdeling/eenheid moeilijk te vervangen en is voor de
       voortgang van de bedrijfsprocessen nodig.
  3. Aanwijzing geschiedt voor bepaalde tijd voor de duur van een project of voor de duur van een tijdelijke aanstelling of voor een bepaalde periode van maximaal twee jaar, waarna de werkgever een nieuw besluit kan nemen.
  4. De jaarlijkse vakantieverlofaanspraak van 338 uur wordt voor deze werknemer(s) teruggebracht naar 234 uur onder gelijktijdige toekenning van een toelage op het salaris van 5,25%. Deze toelage telt mee voor de berekening van vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering en is pensioengevend.
  5. Voor deze werknemer(s) wordt het aantal vakantie-uren dat in AVOM kan worden uitbetaald verminderd met 104.[5] 
  6. Deze werknemer(s) wordt de mogelijkheid geboden om maximaal 104 vakantie-uren in AVOM te kopen.
  7. Bij ziekte of arbeidsongeschiktheid van de werknemer stopt de toepassing van dit artikel na zes maanden vanaf de eerste ziektedag.
  8. De rekenfactor voor de toepassing van de secundaire arbeidsvoorwaarden van deze werknemer(s) (bijvoorbeeld ouderschapsverlof) is gebaseerd op een arbeidsduur van 38 uur per week.