Hoofdstuk 6: Binnenklimaat in kantoren

1. Inleiding

Binnenklimaat is een breed begrip. Hiermee wordt bedoeld de toestand van temperatuur, luchtsnelheid, luchtkwaliteit (verontreinigingen), luchtvochtigheid, licht en uitzicht. Ook hinderlijk geluid kun je scharen onder het kopje binnenklimaat. Een goed binnenklimaat heeft een positief effect op de productiviteit en in lichtere mate op het ziekteverzuim. Het binnenklimaat in de werkomgeving verdient dus ruime aandacht te krijgen. Dit hoofdstuk gaat over kantooromgeving. Voor andere werkomgevingen zoals (chemische) laboratoria gelden andere normen. De Arbowet verplicht de werkgever te streven naar zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden voor de werknemer. Dit geldt ook voor het binnenklimaat.

In paragraaf 3 wordt bij ieder onderdeel de mogelijke klachten beschreven. Vaak worden klachten over het klimaat geuit als er andere onderliggende klachten zijn zoals niet voldoende privacy, wrijvingen onderling, niet tevreden met het werk, te hoge of lage werkdruk. Maar dit kan ook andersom het geval zijn. Het verbeteren van het binnenklimaat vraagt in sommige gevallen om een hoger verbruik van energie. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de energieprestatienorm. Dit onderdeel valt buiten de scoop van dit hoofdstuk.

2. Doel

De productiviteit en het welzijn van de medewerker kan worden bevorderd door het binnenklimaat te optimaliseren. Het doel van dit hoofdstuk is het aantal ontevreden medewerkers over het binnenklimaat zo laag mogelijk te houden: afhankelijk van het klimaataspect tussen de 10-30% (zie tabel 1). Dit wordt bewerkstelligd door een zo hoog mogelijk prestatieniveau van het binnenklimaat na te streven. Zo hoog mogelijk betekent rekening houden met de omstandigheden (haalbaarheid) van en in het gebouw.

Streefniveaus

Het is niet haalbaar om de kwaliteit van het binnenklimaat voor alle gebouwen op hetzelfde (hoge) niveau na te streven. Door onderscheid te maken in prestatieniveaus voor oude en nieuwe gebouwen kan een optimale werkomgeving voor zowel bestaande bouw als voor nieuwbouw worden nagestreefd. Bij een verbouwing kan het prestatieniveau worden verhoogd. 

Tabel 1 uit Praktijkboek Gezonde gebouwen

* behaaglijkheid thermisch klimaat = mate dat men het koud of warm heeft (gevoelstemperatuur).

Bij verbouw of nieuwbouw:

  • kies in beginsel niveau B en 
  • kies niveau A (eventueel voor deelaspecten) indien dit gewenst is om gezondheidsredenen van gebouwgebruiker(s) of bij aantoonbare meerwaarde. 

Bij bestaande gebouwen:

  • zorg minimaal voor niveau C voor alle aspecten. Daar waar hogere eisen gesteld worden, bijvoorbeeld vanwege gezondheidsredenen of om de productie ter verhogen, verbeter het gebouw voor een of meer aspecten naar niveau B.

Het aantal ontevredenen over het thermisch binnenklimaat kan berekend worden met het PMV/PPD model van Fanger (Predicted Mean Vote/Predicted Percentage of Dissatisfied). Als van het menselijk lichaam de warmteproductie in evenwicht is met de warmteafgifte aan de omgeving dan is de PMV= 0. Hierbij wordt maximaal 5% ontevredenen verwacht. Meer informatie in bijlage 1. Na de keuze voor het prestatieniveau geeft het aantal ontevredenen aan of er actie geboden is. Zie voor oplossingen paragraaf 4.

3.  Risico's en streefwaarden

Het belangrijkste risico van een slecht binnenklimaat is minder productiviteit van de werkzaamheden (tot 15%) en in mindere mate verhoging van het ziekteverzuim (0,5-2,5%, zie Literatuur 12 en 13) Ook de sfeer in de werkomgeving wordt erdoor negatief beïnvloed. Veel gehoorde klachten zijn: te koud, te warm, muffe en droge lucht, tocht, droge ogen, droge keel, huidklachten, hoofdpijn, suffigheid. De genoemde signalen zijn subjectief. Indien deze klachten gebouw-gerelateerd zijn, verdwijnen ze vaak na het verlaten van het gebouw of in het weekend. Ook andere signalen kunnen het gevolg zijn van een slecht binnenklimaat: vaak verkouden, overmatig zweten bij hoge temperatuur, langer of vaker koffiedrinken, meer socialiseren dan nodig, laat komen, vroeg weggaan. Niet minder belangrijk is dat bij concentratieverlies de kans op vergissingen, ongelukken of ongelukjes toeneemt. Dit is het duidelijkst bij het werken met hoge temperaturen.

Onder binnenklimaat vallen de volgende onderdelen:

  • temperatuur en tocht;
  • kwaliteit van de lucht, luchtvochtigheid;
  • verlichting en daglichttoetreding, uitzicht op natuurlijke elementen;
  • (storend) geluid.

Temperatuur en tocht

Thermisch klimaat kan principieel onderscheiden worden in gematigd klimaat, warm klimaat en koud klimaat. Bij het werken in extreem warme en koude situaties bestaat een kans op schade aan de gezondheid. In een gematigd klimaat, en dat doet zich voor bij praktisch alle kantoorwerkplekken, is er vrijwel geen kans op gezondheidsschade. Temperatuur in de werkruimte is t.o.v. andere onderdelen van het binnenklimaat de factor die het meest van invloed is op de productiviteit. We spreken van een thermisch behaaglijk klimaat wanneer er geen behoefte is aan hogere of lagere temperatuur. De richtlijnen voor kantoren staan in tabel 2. Niet alleen de temperatuur maar ook andere factoren kunnen zorgen voor klachten over de temperatuur van de werkruimte. Klachten zijn: te koud, te warm, tocht, koude voeten, koude handen, vaak verkouden, vermoeidheid, kippenvel, etcetera.

Factoren die de behaaglijkheid (nadelig) beïnvloeden:

  • Temperatuur buiten
    Sterke warmtestralen door de zon (in de zomer) of koude val (in de winter) door groot (niet-geïsoleerd) glasoppervlak beïnvloeden de binnentemperatuur.
  • Temperatuur binnen
    De optimale temperatuur is er niet. Naast persoonlijke wensen zijn ook de kleding en lichamelijke activiteit van invloed. Het zelf kunnen regelen van de temperatuur zal in de regel het aantal klachten verlagen. 
  • Temperatuurgradiënt (verticale)
    Een groot verschil in temperatuur tussen hoofd en voeten geeft een zeer onaangenaam en onrustig gevoel. 
  • Apparatuur
    Het toenemende gebruik van elektronische apparatuur zorgt vooral in de zomer voor warmteoverlast. 
  • Tocht
    Gevoel van tocht is afhankelijk van de luchtsnelheid en de turbulentie (mate van fluctuatie van de luchtsnelheid) en de temperatuur. De norm voor luchtsnelheid staat in tabel 2. Bij hogere temperaturen wordt de luchtsnelheid minder als tocht ervaren dan bij lagere temperaturen (meestal in de winter).

Bovengenoemde factoren bepalen gezamenlijk de opname en de afgifte van warmte door het lichaam. Indien er een (groot) verschil is tussen de som van de afgegeven en de opgenomen warmte, leidt dit vaak tot klachten.

Tabel 2 De richtlijnen voor temperatuur en tocht in kantoren

* IB: individuele beïnvloeding van de temperatuur

Kwaliteit van de lucht

Verschillende bronnen kunnen de kwaliteit van lucht nadelig beïnvloeden:

  • stof (kantoorapparatuur, open boekenkasten, volle bureaus);
  • luchtvervuiling door interne oorzaken: uit bouwmaterialen, gebruik van oplosmiddelen (bijv. lijm van de vloerbedekking), schoonmaakmiddelen; 
  • luchtvervuiling van buiten (verkeer) (o.a. fijn stof, NO2, CO, O3, PAK's);
  • te hoge concentratie koolzuur (CO2) door te veel mensen in een ruimte en te weinig ventilatie. De concentratie CO2 zal niet snel verstikkend werken maar wordt wel snel zo hoog dat de medewerker minder alert of slaperig wordt waardoor de productiviteit omlaag gaat; 
    Tabel 3 Streefwaarden in kantoren

  • allergenen zoals (resten van) bacteriën en schimmels (uit de klimaatinstallatie of in de vloerbedekking), pollen van buiten;
  • legionella of andere bacteriën uit stilstaand(e) water(leidingen), bevochtigingsinstallaties of water-bakken aan de radiatoren.

Deze bronnen kunnen naast infecties en allergische reacties ook irriterend zijn voor de luchtwegen en de ogen. Relatieve vochtigheid heeft minder invloed op de  werkprestaties.

Klachten kunnen zijn: droge of branderige ogen, droge of geïrriteerde slijmvliezen van neus of mond, last van de keel, geïrriteerde huid, vaak verkouden, hoofdpijn, benauwd of bedompte gevoel, slaperigheid.

Droge lucht

Bij bovengenoemde klachten wordt door medewerkers vaak gedacht dat te droge lucht de oorzaak is. De relatieve luchtvochtigheid heeft geen relatie met de klachten (zie Literatuur 3). Te hoge temperatuur en/of irriterende bestanddelen in de lucht zijn in de meeste gevallen de oorzaak. Verhogen van de luchtvochtigheid introduceert nieuwe risico's: ontstaan van (resten van) bacteriën en schimmels in de lucht.

Verlichting, daglichttoetreding en uitzicht op natuurlijke elementen

Verlichting

Onvoldoende hoeveelheid licht geeft grotere kans op vermoeidheid en comfortklachten. De medewerker is eerder afgeleid met als gevolg lagere productiviteit. Ook de kans op fouten en ongevallen is groter bij te weinig licht of te groot contrastverschil.
Niet alleen de hoeveelheid licht is van belang om het werk goed te kunnen uitvoeren maar ook de kleurtemperatuur, kleurweergave-index, het contrast, verblinding, spiegeling, verhouding van kunstlicht en natuurlijk licht.

Tabel 4 Streefwaarden voor kantoren

 Tabel 5 Streefwaarden voor andere ruimten

Daglichttoetreding

Daglicht is van essentieel belang voor het functioneren van de mens. De wisselende intensiteit van het licht, richting en kleur sturen het bioritme aan. Teveel daglicht kan het zicht op het beeldscherm hinderen (zie ook hoofdstuk 1: beeldschermwerk. Dit leidt tot grotere kans op fouten en productieverlies. Als het daglicht hinder veroorzaakt moet het beeldscherm afgeschermd worden van het daglicht. 

Uitzicht op natuurlijke elementen

Voor de meeste medewerkers is het belangrijk om een goed uitzicht vanaf hun werkplek te hebben. De oogspieren ontspannen zich als er ver wordt gekeken. Dit is nodig bij inspannend werk zoals beeldschermwerk.

Klachten die komen door onvoldoende kwaliteit van licht kunnen zijn: vermoeide, geïrriteerde of branderige ogen, last van 'knijpen', hoofdpijn, nek- en schouderklachten. Met kwaliteit van licht wordt bedoeld: te veel of te helder licht, te weinig licht, verkeerde armaturen, te veel contrast op de werkplek, etcetera.

Hinderlijk geluid

Er wordt onderscheid gemaakt tussen schadelijk geluid (boven de 80 dB(A)) en hinderlijk geluid (35-80 dB(A)). Afhankelijk van de blootstellingduur kan schadelijk geluid lawaaidoofheid veroorzaken. Om dit risico te verkleinen geeft de Arbowet hiervoor duidelijke grenswaarden. In de kantooromgeving komt in principe alleen hinderlijk geluid voor. Hinderlijk geluid verstoort de concentratie waardoor meer kans op fouten en productieverlies. Wanneer geluid "hindert" is afhankelijk van de omgeving en ook van de aard van het geluid en de aard van de werkzaamheden. Een kantoor waar hoge concentratie van de medewerkers wordt vereist of een bibliotheek hindert geluid eerder dan in een koffiekamer of secretariaat. 

Binnen de ruimte zijn de belangrijkste oorzaken geluid van apparatuur, conversaties onderling en langslopende medewerkers. In kantoortuinen komt hinderlijk geluid eerder voor en zijn telefoongesprekken vaak een storende factor. Extern geluid wordt veroorzaakt door geluid uit een andere ruimte, verkeerslawaai, etc. De geluidsisolatiewaarde van de ramen en (binnen)muren zijn van belang om een ideaal geluidsniveau te verkrijgen.

Tabel 6: Concentratie- en communicatiekwalificaties bij verschillende geluidsniveaus

 Tabel 7: Streefwaarden Geluidsisolatiewaarde genormeerd naar referentie nagalmtijden (DnT)

4. Oplossingen

De keuze van het prestatieniveau en het aantal ontevredenen geven aan of er actie geboden is. Het aantal ontevredenen kan gemeten worden met het PMV-model (bijlage 1). Instrumenten om te onderzoeken welke maatregelen er nodig zijn, zijn een klimaatonderzoek, het houden van enquêtes onder de medewerkers en het uitvoeren van een RI&E. Door middel van het uitvoeren van maatregelen die het binnenklimaat positief beïnvloeden, kan het gewenste prestatieniveau worden gehaald of verhoogd.

Onafhankelijk van het aantal ontevreden medewerkers zijn proactieve en preventieve maatregelen van belang. In deze paragraaf worden proactieve, preventieve en curatieve maatregelen aangegeven. Verder wordt voor ieder onderdeel van het binnenklimaat voorbeelden van maatregelen beschreven inclusief de waarden voor hoog (A), midden (B) en laag (C) streefniveau. 

Als voorbeelden zijn de zogenaamde "Goede praktijken" opgenomen in de bijlage 5.  

 
Flowschema om te komen tot een verbeterd binnenklimaat 

Proactieve, preventieve en curatieve maatregelen

Op verschillende niveaus kan worden gewerkt aan een beter binnenklimaat. De voorkeur gaat uit naar proactieve en preventieve maatregelen boven curatieve maatregelen.

Proactief

U houdt al bij nieuwbouw of verbouw projecten rekening met het binnenklimaat. Sommige maatregelen kunnen alleen in deze fase genomen worden zoals keuze van bouwmaterialen, welke werkruimte aan de zonzijde, soort glas in de ramen etcetera. Zie ook "Verbouw en Nieuwbouw".

2. Preventief

U zorgt voor een preventief beleid dat het klimaat positief beïnvloedt. Denk hierbij aan clean desk policy, schoonmaakvriendelijke inrichting, doortastend schoonmaakbeleid en periodieke controles van klimaatinstallaties. Een preventieve maatregel is ook het inventariseren en evalueren van de risico's van het binnenklimaat (uitvoeren van een RI&E, zie hieronder).

3. Curatief

U zorgt dat in de huidige situatie zoveel mogelijk gedaan wordt om het binnenklimaat positief te beïnvloeden. Denk hierbij aan, adequate reacties op klachten van medewerkers.

Risico-inventarisatie en -evaluatie

In een bestaande situatie kan het binnenklimaat in veel gevallen verbeterd worden, vaak met eenvoudige middelen. Daarvoor dient u eerst te weten op welk niveau het binnenklimaat in het gebouw is. U voert hiervoor een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) uit. Dit houdt in: 

  1. Onderzoek de huidige stand van zaken (risico-inventarisatie) in uw gebouw en inventariseer het aantal klachten van de medewerkers. Voorbeeld van checklists vindt u in bijlage 3 en bijlage 4.
  2. Stel het huidige risiconiveau vast.
  3. Bepaal welke verbeteringen noodzakelijk zijn en stel vast welke doelen gehaald moeten worden (Plan van aanpak). Volg bij het opstellen van de maatregelen de arbeidshygiënische strategie.
  4. Voer het Plan van Aanpak binnen een gesteld termijn uit. 
  5. Evalueer periodiek of de doelen nog gehaald worden en zo ja, of de doelen bijgesteld moeten worden. 

Hieronder staan per onderwerp voorbeelden van maatregelen die u kunt nemen ter verbetering van het binnenklimaat.

Temperatuur en tocht
Proactieve maatregelen

  • Houdt bij nieuw- of verbouw rekening met de warmte- en koudelast. Hiermee wordt bedoeld de te dragen kleding, gebruik van apparatuur, de warmte- en koudelast van ramen en zonnestralen. Door een maximum te stellen aan de jaarlijkse temperatuuroverschrijding kan berekend worden welke materialen of maatregelen nodig zijn voor een optimale temperatuursbeheersing (TO/GTO methode, zie bijlage 2 of AGT-methode, literatuur 4). Het beoordelen van de warmte/koudelast is werk van specialisten (binnenklimaatdeskundige of arbeidshygiënist). 
  • Zorg voor zonwering aan de zonzijden van het gebouw. Mogelijkheden:
    - zonwerend glas
    - zonneschermen (buitenzonwering is effectiever dan binnenzonwering)
  • Zorg voor zelfregelmogelijkheden van de medewerkers voor de temperatuur, zonwering, openen en sluiten van de ramen. Hoe meer mensen er in dezelfde ruimte werken hoe meer klachten er zijn. De warmtelast vormt meestal het grootste probleem. 
  • Zorg voor voldoende verse lucht. Dit is afhankelijk van de ruimte, gebruik, aantal medewerkers etc. Optimale waarden worden gegeven in Arbo-informatieblad 24 (literatuur 3).
  • Volg de eisen van het bouwbesluit (deze komen overeen met de eisen van de Arbowet).

Preventieve maatregelen

Ook in een bestaand gebouw kunnen de maatregelen preventief genomen worden te voorkoming van klachten:

  • Zorg voor de juiste temperatuur en vermijd tocht.
  • Zorg voor regelmatig onderhoud van de klimaatsysteem. Neem hierbij ook hygiënische maatregelen. 
  • Zorg voor minder warmtelast door apparatuur en verlichting:
    - koop bij vervanging computers en beeldschermen die weinig energie gebruiken  en dus ook weinig warmte afgeven (LCD of TFT),
    - let bij aanschaf van lampen op energieverbruik (HF- of Led-verlichting, energiezuinige voorschakelapparatuur).
  • Houd rekening bij het inrichten van de kantoren met negatieve invloeden van temperatuur en tocht. Voorbeelden zijn zonnestralen op de ramen, koudeval (geen werkplekken bij grote ramen), werken met open deuren.
  • Schakel overbodige verlichting en apparatuur uit (geven warmte af).

Curatieve maatregelen

Voorbeelden die u kunt nemen bij incidentele klachten of als gevolg van weersomstandigheden:

  • plaats eventueel ventilatoren of mobiele airconditioners. Deze geven wel meer risico op tocht. Airconditioners dienen periodiek schoongemaakt te worden vanwege bacterieophoping.
  • laat bij hoog temperaturen 's zomers de ventilatie 's nachts aan staan,
  • pas bij hoge temperaturen de werktijden aan, 
  • zorg dat de medewerkers voldoende kunnen drinken.

Kwaliteit van de lucht

Preventieve maatregelen

Ook in kantoren kan de lucht te veel verontreinigd zijn met stof, (resten van) bacteriën of schimmels en/of vervuiling van buiten. Met preventieve inspanning kunnen veel klachten voorkomen worden. De optelling van onderstaande maatregelen zal de kwaliteit van de lucht verbeteren.

Verminder de stof- en stankbelasting in de lucht:

  • kies bij aankoop voor materialen die geen stof en stank afgeven (voorbeelden: tapijt kan lang stinken, beton geeft erg lang stof af tenzij gecoat);
  • kies bij aankoop voor goed reinigbare tapijt; 
  • controleer periodiek de roosters van het gehele mechanische ventilatiesysteem op vervuiling en vervang de luchtfilters periodiek;
  • stimuleer een cleandesk-policy en geen opslag op kasten;
  • kies voor dichte kasten;
  • kies voor harde vloerbedekking;
  • plaats geen kopieermachines en printers in de werkruimte;
  • voer een effectief schoonmaakbeleid (ook op kasten, radiatoren, regelmatig tapijt reinigen);
  • gebruik hepafilters in de stofzuigers (een centraal stofzuigsysteem heeft de voorkeur maar is alleen mogelijk bij nieuw of verbouw).
  • kies voor kamerplanten die geen pollen veroorzaken.

Richt de ruimte schoonmaakvriendelijk in:

  • geen opslag van goederen op de vloer,
  • radiatoren goed schoon te maken,
  • dichte plafonds.

Raad bevochtiging door waterbakken aan de radiatoren af. De vorming van bacteriën en schimmels verontreinigen de lucht.

Verlichting

Proactief

Onderstaande maatregelen kunnen worden verwezenlijkt bij ver- en nieuwbouw:

  • volg NEN-EN 12464-1 op: (titel:Licht en verlichting - werkplekverlichting),
  • zorg voor een goede balans van daglicht, kunstlicht en uitzicht op natuurlijke elementen. 
  • Een norm voor voldoende daglichtoppervlak is 1/20 van het vloeroppervlak DIN 5034),
  • Uitzicht naar buiten op zit- en stahoogte geldt voor ruimten waar men langer dan 2 uur werkt;
  • vermijd hinderlijk licht:
    - spiegeling door (inpandige) ramen,
    - zonlicht van buiten (lichtwerende ramen);
  • zorg voor gelijkmatige verlichting op de werkplek (weinig contrast);
  • zorg voor (individueel) beïnvloeding van de hoeveelheid licht:
    - per werkplek de hoeveelheid licht kunnen inschakelen (dimmers),
    - per zone de verlichting kunnen schakelen (raamzijde apart van binnenmuren),
    - andere mogelijkheid is het aanbrengen van daglichtregeling (de hoeveelheid kunstlicht wordt aangepast aan het binnenkomende daglicht);
  • dynamische verlichting is een pre. Hiermee wordt het natuurlijke verloop van daglicht nagebootst waardoor de concentratie wordt verhoogd. Een van de effecten is dat de "lunchdip" hiermee positief wordt beïnvloed.

Preventief

  • Let bij het inrichten van de werkruimte op de positie van de medewerker t.o.v. de lichtbron
  • Kies bij de aanschaf van de lampen voor een vriendelijke kleurtemperatuur (tussen 3300 en 5300 K) en een kleurenindex (Ra) van minimaal 80.

Curatief
Bij klachten:

  • Realiseer in eerste instantie verbeteringen aan de standaard verlichting. Laat de lichtsterkte hierbij meten. Pas in tweede instantie bureaulampen toe. Zorg dat de bureaulampen voldoende werkplek verlichten en let op contrastvorming. De lamp mag ook niet zichtbaar zijn in het blikveld.
  • Maak onderscheid tussen de nodige lichtsterkte bij oudere medewerkers t.o.v. jongere medewerkers.
  • Wees bedacht bij "oudere" ogen op de noodzaak van een beeldschermbril. 

Hinderlijk geluid
Proactieve maatregelen

  • Verkies bij het ontwerp kleine kantoren boven kantoortuinen.
  • Zorg in het ontwerp bij kantoortuinen voor brede looppaden.
  • Kies voor geluiddempende materialen op de wanden, vloeren en plafond.

Preventieve maatregelen

  • Maak afspraken over onderlinge communicatie, gebruik van telefoons als er meerdere werknemers in een ruimte werken. Oplossingen zijn een andere ruimte voor het telefoneren of een stilteruimte. 
  • Plaats geluidmakende apparatuur (bijv. printers, kopieermachines) in een aparte ruime (dit is ook belangrijk voor de luchtvervuiling en beweging van medewerkers).

Curatieve maatregelen
In geval van klachten:

  • Meet eerst het geluidsniveau en neem daarna maatregelen. Voorbeelden zijn: 
  • het plaatsen van kasten en schotten,
  • het inrichten van een aparte ruimten voor overleg,
  • het inrichten van een aparte ruimten voor kleine pauzes,
  • geluidsdempende materialen aanbrengen in de ruimte.

5. Wet- en regelgeving, normen en literatuur

Arbowet
artikel 3:  Zorgplicht van de werkgever voor een veilige en gezonde werkplek
artikel 5:  Verplichting Inventarisatie en -evaluatie van de risico's
artikel 8:  Verplichting voorlichting en onderricht
artikel 11:  Verplichting werknemers voor veilig werken en onderricht volgen.
Arbobesluit
Artikel 3.19
  Afmetingen en luchtvolume van ruimten; bewegingsruimte op de arbeidsplaats. De
  kantoorvertrekken mogen niet te klein zijn; er moet voldoende bewegingsruimte en werkruimte
  overblijven.
• Artikel 5.4 Ergonomische inrichting werkplekken
  De werkplekken moeten ergonomisch zijn ingericht.
 Artikel 6.1 Temperatuur
  De temperatuur mag geen schade toebrengen aan de gezondheid van de medewerkers.
 Artikel 6.2 Luchtverversing
  Op de werkplek moet ventilatie zijn, zonder dat er hinderlijke tocht ontstaat.
 Artikel 6.3 Daglicht en kunstlicht
   De werkplekken en gangen in het kantoorgebouw moeten voldoende verlicht zijn. Op
   werkplekken moet indien mogelijk voldoende daglicht binnenkomen. De verlichting moet
   veilig zijn.
 Artikel 6.4 Weren van zonlicht
  In werkvertrekken waar direct zonlicht binnenvalt, moet het zonlicht geweerd kunnen worden.
Arboregeling
Artikel 5.2
De omgeving waarin het beeldschermwerk wordt verricht en de inrichting van de beeldschermwerkplek voldoen in ieder geval aan de volgende voorschriften:
e. het geluid dat de apparatuur voortbrengt veroorzaakt geen verstoring van de aandacht en het
    gesproken woord;
f.  de apparatuur brengt geen voor de werknemers hinderlijke warmte voort;
g. de vochtigheidsgraad is steeds toereikend.

Normen

• NEN 1087: Bepaling van de noodzakelijke ventilatie voorzieningen van gebouwen en
  bepalingsmethoden voor nieuwbouw.
• NEN-EN-ISO 7730: Klimaatomstandigheden-Analytische bepaling en interpretatie van
  thermische behaaglijkheid door berekeningen van de PMV- en PPD-waarden en lokale
  thermische behaaglijkheid, NEN, Delft (geeft alle informatie over een comfortabel
  binnenklimaat).
• NEN NEN-EN 12464-1:2003 nl Licht en verlichting - Werkplekverlichting
• Thermische behaaglijkheid. Eisen voor de binnentemperatuur in gebouwen (ISSO-publicatie
  74), ISSO, Rotterdam, 2004 (bevat methoden voor de berekening van de toelaatbare
  overschrijding van de klimaatgrenzen).

Bronnen 
• De arbocatalogus.nl:  Handreiking kantooromgeving, w.o. kantoorverlichting, daglicht en
   uitzicht, geluidshinder
• Arbo-informatiebladen:  SDU-uitgevers, Den Haag
• AI-24 Binnenmilieu, AI-7 Kantoren
• Arbokennisnet.nl:  Licht en uitzicht, Thermisch binnenklimaat

Literatuur

  1. Gezond bouwen SBR / www. gezondegebouwen.nl
  2. Arbo-Informatieblad nr. 7, Kantoren, Sdu-uitgeverij, Den Haag
  3. Arbo-Informatieblad nr. 24, Binnenmilieu, Sdu-uitgeverij, Den Haag
  4. Adaptieve Temperatuurgrenswaarden (ATG) ISSO 74: een nieuwe richtlijn voor de beoordeling van het thermisch binnenklimaat, Deel 1: Theoretische achtergronden S.R. Kurvers 1 en 2, A.C. v.d. Linden 1, A.C. Boerstra 3, A.K. Raue 4
  5. www.Senternovem.nl
  6. Handboek Arbeidshygiëne hoofdstuk 11.4.3 Weegurencriterium Rijksgebouwendienst, Kluwer
  7. Kennisdossier temperatuur:Extreme koude (pdf)
  8. Kennisdossier temperatuur: Extreme warmte (pdf) 
  9. Arbobondgenoten
  10. SZW: klimaat
  11. TNO: Binnenklimaat en comfort
  12. Binnenmilieu en productiviteit, eindelijk harde cijfers, AC Boerstra e.a., Binnenmilieu juni 2003
  13. Literatuuronderzoek gebouwgebonden gezondheid, comfort, productiviteit en ziekteverzuim in relatie tot energiegebruik, SenterNovem; BBA BINNENMILIEU